In deze wettekst
Scroll door de pagina's of spring direct naar een afdeling of artikel. Elk artikel heeft een eigen link om te delen.
Tip: de pagina's zijn verkleind voor uw scherm. Knijp om in te zoomen, of open de PDF.
opgemaakt voor de leesbaarheid door SC-REAS N.V.
Kennisbank · www.sc-reas.com/kennisbankWET van 28 december 1995, houdende invoering van een belasting op de huurwaarde van gebouwen met ondergrond en de daarbij behorende erven.
(Wet Huurwaardebelasting 1995).
DE PRESIDENT VAN DE REPUBLIEK SURINAME,
In overweging genomen hebbende, dat het nodig is de regels betreffende de belasting op de huurwaarde van gebouwen met ondergrond en de daarbij behorende erven, opnieuw vast te stellen;
Heeft, de Staatsraad gehoord, na goedkeuring door De Nationale Assemblée, bekrachtigd de onderstaande wet:
Artikel 1#
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a.de Inspekteur: de Inspekteur der Direkte Belastingen;
b.de Ontvanger: de Ontvanger der Direkte Belastingen;
c.de Raad van Beroep: de in artikel 59 van de “Inkomstenbelasting 1922” bedoelde Raad van Beroep;
d.gebouw: een opstal, opgericht op een kadastraal afgebakend perceel dan wel, bij in huur uitgegeven domeingrond, op een gedeelte daarvan, tezamen met de ondergrond en het daarbij behorende erf.
Artikel 2#
1.Onder de naam “huurwaardebelasting” wordt een belasting geheven ter zake van gebouwen.
2.Als grondslag van deze belasting geldt de huurwaarde van die gebouwen.
Artikel 3#
1.De belasting is verschuldigd door degene, die het genot van een gebouw heeft krachtens enig zakelijk recht.
2.Voor gebouwen staande op in huur uitgegeven domeingrond is de belasting verschuldigd door de huurder van de grond.
3.Indien er méér dan een gerechtigde bedoeld in leden 1 en 2 tot een bepaald gebouw bestaat, wijzen de gerechtigden op verzoek van de Inspekteur in onderling overleg één aansprakelijke aan voor deze belasting, bij gebreke waarvan door bedoelde Inspekteur een aansprakelijke wordt aangewezen.
Artikel 4#
Van de belasting zijn vrijgesteld:
a.de gebouwen, bestemd voor de publieke dienst, voor zover zij in volle eigendom toebehoren aan de Staat;
b.de gebouwen, percelen of gedeelten daarvan, bestemd om door hem, die het in artikel 3 bedoelde genot heeft, uitsluitend te worden gebezigd:
– voor de uitoefening van de openbare eredienst;
– als inrichting van onderwijs;
– als inrichting van weldadigheid;
– als inrichting van wetenschap of kunst;
– voor begraafplaatsen of crematoria;
– voor landbouw en veeteelt en voor be- en verwerking van landbouwprodukten, hieronder woonhuizen niet begrepen;
– als fabriek of werkplaats;
c.de in eigendom aan vreemde mogendheden toebehorende gebouwen, waarin ambassades of consulaten gevestigd zijn of welke dienen als woning voor hun ambtenaren, onder voorwaarde van wederkerigheid.
Artikel 5#
1.De belasting wordt geheven naar een tarief van 6 (zes) percent van het bedrag waarop het totaal van de huurwaarde wordt vastgesteld.
2.De belasting wordt ten minste vastgesteld op Sf. 2.000,—.
Artikel 6#
1.De totale huurwaarde bij gebouwen in eigen gebruik wordt gesteld op 1 (één) percent van de vrije verkoopwaarde; de vrije verkoopwaarde wordt voor de vaststelling van deze huurwaarde verminderd met Sf. 10.000.000,—.
2.Voor verhuurde gebouwen geldt als huurwaarde de jaarlijkse huuropbrengst, voor zover deze huuropbrengst niet minder dan 1 (één) percent van de vrije verkoopwaarde bedraagt.
Artikel 7#
1.De vaststelling van de huurwaarde geschiedt om de 5 (vijf) jaren door de Inspekteur naar de toestand bij het begin van het belastingjaar en dient tot grondslag voor de belasting van dat jaar en de daarop volgende 4 (vier) jaren.
2.Tussentijdse vaststelling van de huurwaarde dan wel wijziging in de vastgestelde huurwaarde vindt slechts plaats, indien:
a.een gebouw wordt gesticht;
b.een gebouw ingrijpend wordt veranderd;
c.een gebouw geheel of gedeeltelijk wordt afgebroken dan wel teniet gaat;
d.een gebouw wordt gesplitst, verenigd of samengevoegd;
e.een gebouw geheel of gedeeltelijk wordt herbouwd;
f.de bestemming van een gebouw wordt gewijzigd;
g.de huurovereenkomst dan wel de huurprijs wordt gewijzigd.
3.Bij het vaststellen van de huurwaarde kan de Inspekteur indien zulks naar zijn oordeel noodzakelijk is, een plaatselijke opneming van de gebouwen doen plaatsvinden door daartoe door hem aangewezen ambtenaren of externe deskundigen.
Artikel 8#
1.Gebouwen, die gesticht zijn, worden in de heffing betrokken in het jaar volgende op dat waarin zij voor het eerst geheel of gedeeltelijk in gebruik zijn genomen.
2.Wijzigingen ten aanzien van een gebouw, als bedoeld in artikel 7 lid 2, tot stand gekomen na het begin van het belastingjaar, beïnvloeden het vaststellen van de huurwaarde eerst voor het belastingjaar volgend op dat waarin het gebouw de wijziging heeft ondergaan.
Artikel 9#
De huurwaarde, zoals vastgesteld door de Inspekteur, wordt geregistreerd in een bestand, vermeldende tevens de namen en voornamen van de zakelijk gerechtigde dan wel de persoonlijk gerechtigde, als bedoeld in artikel 3, leden 1 en 2, en de namen of nummers der percelen met aanduiding van de plaats der ligging; naar de plaatselijke omstandigheden wordt beoordeeld of er sprake is van één of meerdere percelen.
Artikel 10#
1.De belasting wordt geheven bij wege van aanslag.
2.De aanslagen van de huurwaardebelasting worden door de Inspekteur vastgesteld en jaarlijks op kohier gebracht, welk kohier door de Inspekteur executoir wordt verklaard.
3.Het belastingjaar valt samen met het kalenderjaar.
4.Voor de heffing van de belasting is de toestand aan het begin van het kalenderjaar beslissend.
5.Indien na aanvang van het belastingjaar het in artikel 3 bedoelde recht overgaat op een ander, wordt dit in het bestand aangetekend; voor het jaar volgende op dat van overgang geschiedt de aanslag van de belasting ten name van de nieuwe belastingplichtige.
Artikel 11#
1.Binnen 30 (dertig) dagen na het executoir verklaren van het kohier wordt aan de belastingplichtige een aanslagbiljet uitgereikt door de Ontvanger.
2.De betaling van de aanslag kan geschieden in zoveel gelijke termijnen als na de dagtekening van het executoir verklaren van het kohier nog volle maanden van het kalenderjaar overblijven, met dien verstande dat het aantal termijnen ten minste 5 (vijf) bedraagt.
Artikel 12#
1.Indien de betaling van de aanslag niet plaatsvindt binnen de in artikel 11 lid 2 aangewezen termijnen, is rente verschuldigd, welke rente enkelvoudig wordt berekend over de verschuldigde belasting.
2.De periode, waarover rente wordt berekend, vangt aan daags na de dag waarop betaling had moeten plaatsvinden en eindigt op de dag van betaling.
3.Het rentepercentage is gelijk aan het rentepercentage, zoals dat op de voet van artikel 73 van de “Inkomstenbelasting 1922” wordt vastgesteld.
Artikel 13#
1.Degene, die bezwaar heeft tegen een hem opgelegde aanslag, kan binnen 60 (zestig) dagen na de dagtekening van het aanslagbiljet een met redenen omkleed bezwaarschrift indienen bij de Inspekteur.
2.Het indienen van een bezwaarschrift schort de betalingsverplichting niet op.
3.De Inspekteur beslist, na reclamant in de gelegenheid te hebben gesteld zijn bezwaren mondeling of schriftelijk toe te lichten, bij wijze van uitspraak binnen een termijn van 60 (zestig) dagen; deze uitspraak is met redenen omkleed.
4.De Inspekteur zendt een afschrift van de uitspraak aan de reclamant of reikt het hem tegen gedagtekend ontvangstbewijs uit.
Artikel 14#
1.Degene, die bezwaar heeft tegen de uitspraak van de Inspekteur op een ingediend bezwaarschrift, kan binnen 60 (zestig) dagen, nadat het afschrift van de uitspraak ter post is bezorgd of hem tegen gedagtekend ontvangstbewijs is uitgereikt, een beroepschrift indienen bij de Raad van Beroep, welke in hoogste ressort oordeelt over de aanslag en haar elementen.
2.De Inspekteur zendt een afschrift van de volgende bescheiden aan de Raad van Beroep:
a.het aanslagbiljet;
b.het bezwaarschrift en de uitspraak op bezwaar;
c.een taxatierapport; en
d.de overige gewisselde stukken.
3.De Raad van Beroep is bevoegd om, indien hem zijn overgelegd huurcontracten of andere bewijsstukken, waaruit kan blijken de hoegrootheid van de huurprijs of de vrije verkoopwaarde dan wel de zakelijke of persoonlijke gerechtigheid, van de belastingplichtige de verklaring te vorderen “dat de overgelegde bewijsstukken opgemaakt zijn overeenkomstig de waarheid en echt en onvervalst zijn”.
4.Overigens zijn de bepalingen van de artikelen 55 tot en met 59ter van de “Inkomstenbelasting 1922” van overeenkomstige toepassing.
Artikel 15#
1.Met een gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren wordt gestraft degene, die een verklaring op de voet van artikel 14 lid 3 met opzet valselijk heeft afgelegd dan wel valse of vervalste bewijsstukken heeft overgelegd.
2.Indien het vermoeden bestaat dat een geval als bedoeld in het lid 1 van dit artikel zich voordoet, wordt daarvan door de Raad van Beroep een proces-verbaal opgemaakt, welk proces-verbaal in handen van de Procureur-Generaal wordt gesteld.
3.Het in lid 1 genoemde strafbare feit wordt als een misdrijf beschouwd.
Artikel 16#
Feitelijke abuizen in de tenaamstelling van de aanslag, in de vastgestelde huurwaarde en in het bedrag der belasting dan wel recognitie in het kohier kunnen op voorstel van de Inspekteur door de Ontvanger worden gewijzigd.
Artikel 17#
1.De bezorging van de aanslagbiljetten, uitspraken op bezwaar, uitspraken van de Raad van Beroep, dan wel enig ander geschrift, voortvloeiende uit de uitvoering van deze wet, geschiedt hetzij per post bij aangetekende brief, hetzij door uitreiking tegen gedagtekend ontvangstbewijs aan belastingplichtige dan wel diens schriftelijk gemachtigde; indien belastingplichtige zelf en zijn woonplaats niet te vinden zijn, geschiedt de bezorging door deponering ten kantore van de betrokken Ontvanger.
2.De stukken krachtens deze wet op te maken en uit te vaardigen, daaronder begrepen de bezwaar- en beroepschriften, zijn vrij van zegel en andere kosten.
Artikel 18#
1.De vaststelling van de huurwaarde, als bedoeld in artikel 7 lid 1, vindt voor de eerste maal plaats per 1 januari 1996.
2.Deze vastgestelde huurwaarde geldt als grondslag voor de belasting voor de jaren 1996 tot en met 2000, tenzij één der situaties, als bedoeld in artikel 7 lid 2, zich voordoet.
Artikel 19#
Bij de inwerkingtreding van deze wet wordt de Wet Huurwaardebelasting 1910 (G.B. 1910 no. 88, geldende tekst G.B. 1948 no. 154, zoals laatstelijk gewijzigd bij S.B. 1983 no. 95) ingetrokken.
Artikel 20#
1.Deze wet kan worden aangehaald als: Wet Huurwaardebelasting 1995.
2.Zij wordt in het Staatsblad van de Republiek Suriname afgekondigd.
3.Zij treedt in werking met ingang van 1 januari 1996.
Gegeven te Paramaribo, de 28ste december 1995.
R.R. VENETIAAN.
De Vice-President,
Voorzitter van de Raad van Ministers,
J.R. AJODHIA.
De Minister van Financiën,
H.S. HILDENBERG.
De Minister van Justitie en Politie, a.i.
R. RANDJITSING.
Uitgegeven te Paramaribo, de 28ste december 1995.
De Minister van Binnenlandse Zaken,
S. SABIRAN.
MEMORIE VAN TOELICHTING
WET van 28 december 1995, houdende invoering van een belasting op de huurwaarde van gebouwen met ondergrond en de daarbij behorende erven.
(Wet Huurwaardebelasting 1995).
1. Algemeen
Reeds geruime tijd bestaat er behoefte aan aanpassing van de uit 1910 daterende Wet Huurwaardebelasting. Niet alleen zijn de in die wet opgenomen bepalingen volstrekt verouderd, ook is de tariefstelling — zoals die laatst in 1983 is aangepast — door de gewijzigde omstandigheden achterhaald. Temeer nu de Belastingdienst zijn werkzaamheden gaat intensiveren, zou het één en ander op het gebied van onder meer de huurwaardebelasting kunnen leiden tot grote fricties, indien niet tot aanpassing van de thans vigerende regelgeving zou worden overgegaan.
Vooruitlopend op de introductie van een Belasting op Grond en Opstallen lijkt een schoning van de Wet Huurwaardebelasting dan ook onontkoombaar.
Door de veelheid aan wijzigingen is er voor gekozen om, onder intrekking van de thans geldende wet, een nieuwe Wet Huurwaardebelasting 1995 in te voeren.
De redactie van de wet is aangepast aan de tijd. De grondslag van de heffing is gewijzigd in het licht van de aanstaande Belasting op Grond en Opstallen. De tarifering is weer teruggebracht naar één tarief eveneens met het oog op de aanstaande Belasting op Grond en Opstallen en voorts omdat het subjectieve element op dit punt dat in 1983 in de wet is ingebracht feitelijk geen plaats dient te hebben in een objectieve wet als de onderhavige.
Zoals voorheen wordt de huurwaarde vastgesteld door de Inspekteur der Direkte Belastingen die ook met de heffing van deze belasting is belast. Echter het in de te vervangen regelgeving nog voorkomende instituut van huurwaarde-adviescommissie is verdwenen bij de nieuwe regelgeving. De Inspekteur zal bij het vaststellen van de huurwaarde, indien zulks naar zijn oordeel nodig is, een plaatselijke opneming kunnen doen plaatsvinden door hem daartoe aangewezen ambtenaren, welke tot taxateur onroerend goed zijn opgeleid, dan wel door externe deskundigen. Ook de bezwaar- en beroepschriftenprocedures zijn gemoderniseerd en in overeenstemming gebracht met hetgeen gebruikelijk is in de overige fiscale wetgeving. Zo is de Raad van Beroep, zoals die in de Inkomstenbelasting 1922 is geïnstitutionaliseerd, ook competent verklaard voor de huurwaardebelasting.
Tevens is een strafbepaling ingevoerd, welke ziet op het overleggen van valse of valselijk opgemaakte bescheiden dan wel het afleggen van valse verklaringen ten overstaan van de Inspekteur of de Raad van Beroep. Bij het bepalen van de strafmaat is aansluiting gezocht bij de op 1 januari [onleesbaar] geïntroduceerde strafbepalingen in de wetgeving op het gebied van de inkomstenbelasting.
Met de invoering van deze wijziging wordt een meeropbrengst aan belastingmiddelen begroot van circa Sf 86 miljoen.
2. Artikelsgewijs
Artikel 1
Het lijkt zinvol om in artikel 1 een aantal begrippen te definiëren, welke veelvuldig in deze wet voorkomen. Een heel belangrijke definitie is die van het gebouw. Immers in deze wet wordt een belasting geheven ter zake van gebouwen. Onder een gebouw wordt in het kader van deze wet verstaan een opstal, opgericht op een kadastraal afgebakend terrein dan wel, bij in huur uitgegeven domeingrond, op een gedeelte daarvan. De ondergrond van het gebouw en het erf worden in het kader van deze wet voor het bepalen van de huurwaarde gerekend tot het gebouw. De tussenvoeging in deze definitiebepaling met betrekking tot de domeingrond is ingegeven door enerzijds het feit dat circa 95% van het grondoppervlak van Suriname als domeingrond wordt aangemerkt en anderzijds omdat t.a.v. in huur uitgegeven domeingronden vaak voor meerdere percelen slechts één kadastraal nummer bestaat. Het begrip gebouw is met opzet zo ruim mogelijk genomen, mede teneinde afbakeningsproblemen te voorkomen. Onder een opstal wordt verstaan elk bouwwerk en daarmee vergelijkbare grootheid, welke bescherming biedt aan mens, dier, plant en goed tegen weersinvloeden. Hieronder vallen dus woonhuizen, barakken, bedrijfspanden, werkplaatsen, loodsen, stallen, silo's, scholen, kerken, schuren, magazijnen, kantoorgebouwen en zo meer.
De overige definities spreken voor zich.
Artikel 2
De huurwaardebelasting wordt geheven ter zake van gebouwen, het belastingobject van deze wet. Deze bepaling is overgenomen uit de te vervangen regelgeving. In lid 2 is voorts de grondslag van de belasting neergelegd. De bepaling van dit lid wordt nader uitgewerkt in artikel 6 en volgende.
Artikel 3
In dit artikel wordt de belastingplichtige, het belastingsubject, aangewezen. Belastingplichtig is degene die het genot heeft van een gebouw krachtens enig zakelijk (eigendoms-, grondhuur- of erfpachts)recht en voorts degene aan wie domeingrond, in huur is afgestaan.
De belastingplichtige is degene die aansprakelijk is voor de belastingschuld.
In lid 3 wordt de aansprakelijke aangewezen in het geval er méér dan één gerechtigde in de zin van lid 1 of lid 2 is. Gedacht kan hier bijvoorbeeld worden aan nog niet verdeelde erfboedels.
Gekozen is voor een constructie waarbij de gezamenlijk gerechtigden op verzoek van de Inspekteur één aansprakelijke aanwijzen. Alleen in het geval dat die gerechtigden niet gezamenlijk een aansprakelijke aanwijzen, zal de Inspekteur dat doen.
Artikel 4
In dit artikel zijn de vrijstellingen voor gebouwen, bestemd voor de publieke dienst en in eigendom van de staat èn gebouwen waarin ambassades en consulaten van vreemde mogendheden zijn gevestigd en die eigendom zijn van die vreemde mogendheden, gecontinueerd.
Vervolgens bestaan er als voorheen vrijstellingen voor gebouwen die worden gebezigd voor de uitoefening van de openbare eredienst (kerken, tempels, gebedshuizen, e.d.), als inrichting voor onderwijs (scholen, de universiteit, e.d.), als inrichting van weldadigheid (zieken- en bejaardentehuizen, kindertehuizen, e.d.), als inrichting van wetenschap of kunst (musea, erkende wetenschappelijke instituten, e.d.), voor begraafplaatsen en crematoria, voor landbouw en veeteelt en voor be- en verwerking van landbouwprodukten, daaronder woonhuizen niet begrepen, en tot slot als fabriek of werkplaats. De laatste twee vrijstellingen zijn vooralsnog gehandhaafd in verband met het stimuleren van het investerings- en produktieklimaat.
In afwijking van de bepalingen uit de te vervangen regelgeving op dit vlak, zijn woonhuizen, arbeiderswoningen daaronder begrepen, niet langer meer vrijgesteld.
Artikel 5
Het tarief is teruggebracht naar één percentage van 6. Bij wetswijziging van 1983 werd het toenmalige tarief van 5 vervangen door een variabel, progressief tarief, waarbij het subjectieve draagkrachtbeginsel in de wet werd geïntroduceerd.
Een dergelijk subjectief element dient geen plaats te hebben in een objectieve belasting als de onderhavige.
Gekozen wordt om, mede vooruitlopend op de Belasting op Grond en Opstallen, weer terug te keren naar het systeem van een tarief. Zulks bevordert ook de eenvoud.
Tot slot wordt in lid 2 neergelegd dat de belasting steeds tenminste op Sf 2000,— wordt vastgesteld. Dit betekent, dat indien bijvoorbeeld de belasting op grond van het bepaalde in lid 1 op Sf 600,— wordt berekend, er toch wettelijk Sf 2000,— verschuldigd zal zijn. Dit zal zich vooral voordoen in de situaties van de eigenaar zelfbewoner/gebruiker, waar immers een vrijstelling van Sf 10.000.000 van de vrije verkoopwaarde wordt geïntroduceerd bij het bepalen van de huurwaarde.
Artikel 6
In dit artikel wordt de huurwaarde, de grondslag van de heffing bepaald. De huurwaarde wordt vastgesteld op één procent van de vrije verkoopwaarde. De vrije verkoopwaarde is de waarde van het gebouw in het economisch verkeer, wanneer het onbezwaard zou worden verhandeld. Deze waarde kan worden vastgesteld aan de hand van gegevens met betrekking tot recente aan- of verkoop van het gebouw, aan de hand van vergelijking met vergelijkbare panden die recent zijn aangekocht of verkocht of door middel van een taxatie door ter zake kundigen.
Aansluiting bij het begrip vrije verkoopwaarde is mede ingegeven door het streven naar een uniform begrippenapparaat voor de gehele belastingwetgeving. De term verkoopwaarde komt reeds voor in de Wet Vermogensbelasting 1944.
Bij de bepaling van de huurwaarde van gebouwen in eigen gebruik is een belastingvrije drempel ingebouwd van Sf 10.000.000 van de vrije verkoopwaarde. Dit betekent dat ten aanzien van een eigenaar zelf bewoner/gebruiker voor het bepalen van de huurwaarde eerst Sf 10.000.000 op de vrije verkoopwaarde in mindering wordt gebracht.
In feite komt het erop neer dat voor de eerste Sf 10.000.000 van een gebouw geen belasting op grond van deze wet verschuldigd is, indien dit gebouw in eigen gebruik is bij de gerechtigde.
De zinsnede “in eigen gebruik” in deze bepaling ziet op zelfbewoning of gebruik in het kader van de eigen onderneming.
De term “totaal” in deze bepaling geeft aan dat ingeval de belastingplichtige het genot heeft van meerdere gebouwen, deze vrijstelling niet per gebouw wordt vastgesteld, doch éénmaal op het totaal van de vastgestelde huurwaarde van alle gebouwen tezamen.
Indien er geen sprake is van eigen gebruik als hiervoor bedoeld (bijvoorbeeld in het geval van verhuur), geldt deze vrijstelling niet.
In lid 2 van dit artikel wordt vastgelegd dat voor verhuurde panden de huurwaarde op vereenvoudigde wijze kan worden bepaald, namelijk door uit te gaan van de jaarlijkse huuropbrengst, voor zover althans deze huuropbrengst niet minder dan één procent van de vrije verkoopwaarde bedraagt.
Aan het vaststellen van de huurwaarde komen dan geen taxaties of ingewikkelde vergelijkingen te pas, doch kan aan de hand van het huurcontract op eenvoudige wijze deze huurwaarde worden bepaald.
Artikel 7
In lid 1 wordt vastgelegd dat de vaststelling van de huurwaarde om de vijf jaren door de Inspekteur geschiedt, naar de toestand aan het begin van het kalenderjaar. Deze vastgestelde huurwaarde geldt dan als grondslag voor de heffing in het kader van deze wet voor dat jaar en de daarop volgende vier jaren. Indien derhalve de huurwaarde in 1995 wordt bepaald op een bedrag van Sf x per 1 januari 1996, dan is dat de grondslag voor de heffing voor de jaren 1996 t/m 2000, tenzij zich in die periode één van de uitzonderingssituaties voordoet als bedoeld in lid 2 van dit artikel. Voor de goede orde zij vermeld dat in de praktijk de feitelijke werkzaamheden m.b.t. de huurwaardevaststelling en de administratieve afronding daarvan zich heel wel over de peildatum van 1 januari heen kunnen uitstrekken. Dit behoeft geen bezwaar op te leveren.
In artikel 18 wordt vervolgens de eerste peildatum aangegeven.
In lid 2 van artikel 7 worden de situaties beschreven, waarin in afwijking van het bepaalde in lid 1, tussentijdse vaststelling of wijziging van de vastgestelde huurwaarde plaats kan vinden. De opsomming is limitatief.
In het lid 3 wordt vastgelegd de mogelijkheid dat de Inspekteur de hulp inroept van ambtelijke of externe deskundigen, bij het vaststellen van de huurwaarde.
Het in de thans geldende wet vigerende instituut van de huurwaarde-adviescommissie komt hiermede te vervallen.
Artikel 8
In lid 1 worden de gevolgen van de toepassing van deze wet beschreven met betrekking tot nieuw gestichte woningen. Er is uit een oogpunt van redelijkheid voor gekozen om de belastingplicht eerst te laten ingaan in het jaar volgend op dat van de eerste gehele of gedeeltelijke ingebruikneming.
In lid 2 wordt bepaald dat wijzigingen ten aanzien van het gebouw zoals beschreven in het artikel 7 lid 2, welke na het begin van het belastingjaar optreden, eerst de vaststelling van de huurwaarde beïnvloeden met ingang van het belastingjaar daaropvolgend.
Artikel 9
In dit artikel is bepaald hoe de registratie van de vastgestelde huurwaarde dient plaats te vinden.
Artikel 10
In dit artikel wordt bepaald dat de belasting wordt geheven bij wege van aanslag; voorts dat de aanslagen jaarlijks op kohier worden gebracht en executoir verklaard. Het belastingjaar valt samen met het kalenderjaar, zoals is neergelegd in lid 3, waarbij volgens lid 4 de toestand aan het begin van het belastingjaar (dit is dus op 1 januari van het belastingjaar) beslissend is voor de bepaling van onder andere de belastingplicht, de grondslag en de heffing.
In lid 5 wordt er nog eens duidelijk op gewezen dat, ook indien het recht op een ander overgaat lopende een belastingjaar, de heffing eerst in het jaar volgende op het jaar van overgang geschiedt ten name van degene op wie het recht is overgegaan.
Artikel 11
In dit artikel wordt de uitreiking van het aanslagbiljet geregeld en tevens de betaling van de aanslag.
Artikel 12
In dit artikel wordt de renteberekening geintroduceerd bij te late betalingen. Deze renteberekening vindt plaats op dezelfde voet als die is geregeld in de inkomstenbelasting.
Dit ook in het kader van het streven naar uniforme regelgeving.
Artikel 13
In dit artikel wordt de bezwaarprocedure geregeld. De procedure is zo eenvoudig mogelijk gehouden en aan strikte termijnen onderworpen. Zowel het bezwaarschrift als de uitspraak op bezwaar dienen voldoende gemotiveerd te zijn. De Inspekteur dient degene die bezwaar maakt, in de gelegenheid te stellen mondeling of schriftelijk (naar keuze van de Inspekteur) zijn bezwaren nader toe te lichten, alvorens uitspraak te doen.
Voor alle duidelijkheid: het indienen van een bezwaar schort de betalingsverplichting niet op (lid 2).
Artikel 14
In dit artikel wordt de beroepsprocedure geregeld. Aansluiting wordt ook hier gezocht bij de regelingen zoals die op dit gebied gelden voor de inkomstenbelasting. De aparte beroepsinstantie, zoals die onder de te vervangen regelgeving bestaat voor enkel de huurwaardebelasting, komt daarmede te vervallen. Om zijn werk naar behoren te kunnen doen, dient de Raad van Beroep over de relevante stukken te beschikken. Daartoe wordt in lid 2 aan de Inspekteur de opdracht gegeven om in geval van een beroepsprocedure, naast zijn eigen vertoogschrift, in ieder geval aan de Raad van Beroep te doen toekomen: het aanslagbiljet, het bezwaarschrift en de uitspraak op bezwaar, een taxatierapport en de overige gewisselde stukken.
Voorts kan de Raad van Beroep van de belastingplichtige vorderen, dat deze verklaart dat de door hem op verzoek van de Raad van Beroep overgelegde bewijsstukken opgemaakt zijn overeenkomstig de waarheid en echt en onvervalst zijn.
Met betrekking tot de procedure zijn voorts alle ter zake geldende regelingen van de inkomstenbelasting van overeenkomstige toepassing.
Artikel 15
In dit artikel wordt degene die vervalste of valse bewijsstukken overlegt dan wel een valse verklaring aflegt ten overstaan van de Inspekteur dan wel de Raad van Beroep bedreigd met een gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren. Bij de strafmaat is aansluiting gezocht bij vergelijkbare bepalingen in de onlangs gewijzigde regelegeving met betrekking tot de inkomstenbelasting.
Indien bij de Raad van Beroep het vermoeden bestaat dat ten overstaan van hem een dergelijke valse verklaring wordt afgelegd dan wel valse of vervalste bewijsstukken zijn of worden overgelegd, is hij bevoegd om daarvan proces-verbaal op te maken en dat aan de Procureur-Generaal ter hand te stellen voor (beoordeling op) vervolging.
Artikel 16
Uit de te vervangen regelgeving is de bepaling overgenomen, waarmee feitelijke abuizen in de kohieren snel en eenvoudig kunnen worden hersteld. Voor de goede orde zij opgemerkt dat ook in een dergelijke situatie de bezwaar- en beroepsprocedure van toepassing is.
Artikel 17
De bepaling met betrekking tot de bezorging van aanslagen, uitspraken op bezwaar, uitspraken op beroep en dergelijke, vindt eveneens haar oorsprong in de te vervangen wet.
Alle stukken krachtens deze wet op te maken zijn vrij van zegel en andere kosten.
Voor een ieder moeten alle procedures in het kader van deze wet eenvoudig en toegankelijk zijn.
Artikel 18
In dit artikel wordt bepaald dat de vaststelling van de huurwaarde volgens deze nieuwe wet voor de eerste maal plaatsvindt per 1 januari 1996, waardoor deze huurwaarde als grondslag geldt voor de heffing van huurwaardebelasting voor de jaren 1996 t/m 2000.
De feitelijke werkzaamheden m.b.t. de huurwaardevaststelling en de administratieve afronding daarvan kunnen zich overigens heel wel over de peildatum heen uitstrekken.
Artikel 19
Dit artikel spreekt voor zich.
Artikel 20
Dit artikel spreekt voor zich.
Paramaribo, 22 augustus 1991.
De Minister van Financiën,
H.S. HILDENBERG.
Een belasting over de huurwaarde van gebouwde onroerende zaken. Belastingplichtig is wie het gebruik heeft op grond van een zakelijk recht, of de huurder van domeingrond.
Voor eigen gebruik wordt de huurwaarde afgeleid van de verkoopwaarde; bij verhuur van de huurprijs.
In de praktijk. De actuele tarieven en vrijstellingen vindt u bij de Belastingdienst. Wij rekenen niet uit wat u verschuldigd bent; wel kunnen wij de waarde onderbouwen.